FIETSEN: Een stukske België

Vriend Jan uit Breda is aan de beurt om onze jaarlijkse fietsvierdaagse te organiseren (6–9 augustus 2025). Hij zoekt het uit praktische overwegingen meestal in het Belgisch grensgebied.


Was onze vorige expeditie langs de Zeeschelde tussen Antwerpen en Gent met zijn zijrivieren geografisch al knap ingewikkeld (‘Dender en Schelde’; ‘Durme en Schelde’; ‘Oude en Nieuwe Schelde’; ‘Rupel en Schelde’. In: Zafira, 2024), nu kom ik helemaal op terra incognita.


We verblijven twee nachten in Pelt (een fusie van Neerpelt en Overpelt) in de provincie (Belgisch) Limburg, om van daaruit twee fietstochten te ondernemen. Daarna verhuizen we naar een tweede locatie (Grobbendonk) in de provincie Antwerpen voor nog twee dagtochten.   


Om over deze tochten zinvolle en accurate stukjes te schrijven is een gedegen oriëntatie op met name de geografie van Noord-België geen overbodige luxe.


Laten we allereerst de tien provincies maar even uit het hoofd leren met een Nederlandse bril op. Onder ons Zeeuws-Vlaanderen liggen de provincies West-Vlaanderen (Brugge) en Oost-Vlaanderen (Gent). Dan volgen in oostelijke richting, tegen ons Noord-Brabant en Limburg aan, de provincies Antwerpen (Antwerpen) en Belgisch Limburg (Hasselt). Rond het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt dan nog Vlaams-Brabant (Leuven). Samen vormen deze provincies het Gewest Vlaanderen.


Het Gewest Wallonië bestaat van west naar oost uit Henegouwen (Bergen), Waals-Brabant (Waver), Namen (Namen), Luik (Luik) en Belgisch Luxemburg (Aarlen). 


Onze fietsvierdaagse beperkt zich tot de Vlaamse Kempen, die het grootste deel van de provincies Belgisch Limburg en Antwerpen beslaan. De Vlaamse Kempen vormen dan weer een grensoverschrijdend geheel met onze Noord-Brabantse Kempen.


De naam Kempen is afgeleid van het Latijnse Campina, open vlakte, maar de Romeinen noemden het gebied ook Taxandria – mogelijkerwijs naar de Taxus conifeer – of Toxandria – misschien wel vanwege de giftige zaden van de Taxus conifeer.


De Kempen bestaan uit arme zandgronden met daarop tot medio negentiende eeuw vooral heide, eikenbossen, vennen en veengebieden. Door intensieve landbouw en verstedelijking zijn deze vegetatietypen zeldzamer geworden.


Kempenaar staat zowel voor een boottype als een aardappelras, evenals trouwens voor de bewoners van de streek.


De oorspronkelijke bewoners in de Romeinse tijd waren de Eburonen, die door Julius Caesar grotendeels werden uitgeroeid na de opstand van Ambiorix (ik moet zijn standbeeld en het Gallo-Romeins Museum in Tongeren nog een keer bezoeken). Ambiorix (1ste eeuw v. Chr.) was een soortgelijke rebellenleider als de Germaanse Arminius, die in het jaar 9 n. Chr. de drie Romeinse legioenen van Varus in de pan hakte nabij het huidige Osnabrück in Duitsland (‘Hermann’. In: Siem Sing a Song, 2020).

Een kenmerk van de Kempen is ook de wirwar van zeven Kempische kanalen die zijn gegraven na de Napoleontische tijd, in eerste instantie alleen bevaarbaar voor de Kempenaar.


Ze moesten niet alleen steden en havens met elkaar verbinden, maar ook Maaswater voor bevloeiing naar de Kempen brengen.


Koning Willem I initieerde in 1822 de aanleg van de Zuid-Willemsvaart van Luik naar ’s-Hertogenbosch als lateraal kanaal van de onbetrouwbare Maas. Na de Belgische afscheiding lag het deel tussen Luik en Bocholt op Belgisch grondgebied, waarmee de Zuid-Willemsvaart het eerste Kempisch kanaal werd.


België maakte na de onafhankelijkheid meteen werk van een aftakking van de Zuid-Willemsvaart bij Bocholt richting Antwerpen via Dessel en Herentals. Dat was in eerste instantie de Kempische Vaart (1843). Tegelijk werd vanuit Dessel een noordelijke aftakking naar Turnhout gegraven (1844), weer later aangevuld met het Kanaal van Turnhout naar Antwerpen (1874).


In 1854 werd het Kanaal naar Beverlo gegraven om het legerkamp Leopoldsburg aan te sluiten op het net van waterwegen. Ook in 1854 werd vanuit Dessel het Kanaal naar Hasselt aangelegd.


Pas na de Eerste Wereldoorlog volgt modernisering door de aanleg van het Albertkanaal (1930), een veel kortere route van Luik naar Antwerpen via Genk, Hasselt, Kwaadmechelen en Herentals. Voor de aansluiting  op de Zuid-Willemsvaart wordt het Kanaal Briegden–Neerharen gegraven (1930), het zevende Kempisch kanaal. Het Albertkanaal maakt uiteraard gebruik van delen van eerder genoemde kanalen, die vervolgens hun definitieve namen krijgen. 


Zo wordt de Kempische Vaart het Kanaal Bocholt–Herentals, waar het aansluit op het Albertkanaal. De noordelijke aftakking van het Kanaal Bocholt–Herentals bij Dessel via Turnhout naar Antwerpen wordt het Kanaal Dessel–Turnhout–Schoten. De zuidelijke aftakking vanuit Dessel naar Hasselt wordt bij Kwaadmechelen onderschept door het Albertkanaal en heet tegenwoordig het Kanaal Dessel–Kwaadmechelen. Aan het Kanaal naar Beverlo verandert niets.


Om het nog gecompliceerder te maken hebben we ook nog van doen met riviertjes en beken van twee gescheiden stroomgebieden, namelijk van de Schelde en de Maas. De Grote en de Kleine Nete en al hun vertakkingen in de bovenloop met steeds andere namen horen bij de Schelde, de Dommel bij de Maas.


Tot slot loopt door het gebied ook nog het tracé van de IJzeren Rijn, een spoorlijn van Antwerpen via Lier, Herentals, Mol, Pelt, Hamont en een stukje Nederland (Weert, Roermond) naar het Ruhrgebied in Duitsland. Op het traject tussen Hamont en het Duitse Dalheim (via Roermond) rijden geen treinen meer, decennia geleden in onbruik geraakt door een toename van het wegverkeer. Momenteel wil België de spoorlijn nieuw leven inblazen, maar natuurgebied De Meinweg bij Herkenbosch (Roermond) steekt een spaak in het wiel (‘De Meinweg’. In: Tureluren, 2015).   


De Kempen zijn relatief dun bevolkt en kenmerken zich door een rustiek landschap, vaak fungerend als decor voor landschapsschilders. Abdijen vonden er de rust om bier te brouwen, maar ook militaire domeinen zijn er legio. 


Op een fietstocht jaren geleden in het grensgebied bij het Nederlandse Reusel, één van de Acht Zaligheden (Duijsel/Duizel, Eersel, Hulsel, Knegsel, Netersel, Reusel, Steensel, Wintersel/Wintelre) in de Noord-Brabantse Kempen, maakte ik al eens kennis met de twee stroomgebieden van Schelde en Maas. Een zandrug verdeelt de gemeente Reusel-De Mierden in een tweestromenland. Het noorden met riviertje de Reusel en vertakkingen behoort tot het stroomgebied van de Maas (net als de Dommel), het zuiden met de Nete tot het stroomgebied van de Schelde (‘Zaligheid Reusel’. In: Dreamgirls, 2018). Op die heuvel staat een soort Januskop, de zuidkant vrouw, de noordkant man. Een onbekende poëet heeft er een prachtige dialoog voor Jan en Jans geschreven.

 

Hij:   Van de vrouwe hierachter

          valt te vermelden

          dat ze watert op Nete en Schelde.

          Ik zie haar heel graag

          maar steeds blijft de vraag

          of mijn avances tot nu toe echt telden.

 

Zij:    Mijn buurman die dwaas

          plast noord op de Maas

          ik kan het met hem niet zo vinden.

          Misschien dat we ooit

          je weet het maar nooit

          ons toch in de echt nog verbinden.

 

Kom maar op, beste Jan, met je lange routes in een ingewikkeld net van kanalen en riviertjes. Ik ben er nu wel klaar voor!

 

 

Gepost: 22 Augustus 2025