Wandelen, Fietsen, Selfies
WANDELEN: De Bruuk
De Bruuk is een zeer bijzonder natuurgebied van ongeveer honderd hectare in het Bekken van Groesbeek (Groesbeker Lobus), waar kwelwater uit de Nederrijnse Heuvelrug zorgt voor een zeer bijzondere vegetatie. De naam Bruuk staat voor Broek, een aanduiding voor natte moerassige gronden. Ontginning is nooit helemaal gelukt. Hooiland was het maximaal haalbare en dat heeft geholpen bij de verschraling. Van de zeer zeldzame Blauwgraslanden, waarvan er in Nederland nog maar enkele tientallen hectares over zijn, bevindt zich een groot deel in De Bruuk.
In januari van dit jaar wandelde ik al eens door het gebied (zie W317: ‘Grafwegen’), maar verheugde me toen al op een aanbod van vriend en plantenkenner Roel om mij een keer door het gebied te gidsen tijdens het bloeiseizoen in het late voorjaar. Hij kent het gebied als zijn ‘bruukzak’ vanwege excursies van Wageningse studenten onder zijn leiding.
Op maandag, 2 juni 2025, starten we om tien uur op de kleine parkeerplaats aan de westkant van het natuurgebied. Stapvoets begeven we ons over de wandelpaden en staan stil bij kenmerkende bloeiende grassen, russen, zeggen en orchideeën. Ik heb me wel een beetje voorbereid aan de hand van documenten van de Radboud Universiteit Nijmegen, die veel onderzoek doet in het gebied, maar deze plantengroepen blijven voor mij een ‘mer à boire’.
Deze voedselarme graslanden zijn zeer soortenrijk. Meteen vallen de haarden op van echte koekoeksbloem en de halfparasiet moeraskartelblad. Moeraskartelblad zag ik slechts eenmaal eerder, bij de Nieuwkoopse Plassen (‘Nieuwkoop’. In: Zafira, 2024). Andere halfparasieten die hier veel voorkomen zijn grote ratelaar en hengel, de laatste vooral onder de eiken in de eikenlaantjes. Opvallend een mengplek van moeraskartelblad en veenpluis in de verte.
Van de zogenaamde kensoorten van de Blauwgraslanden komen we tegen de piepkleine vlozegge en Spaanse ruiter (distel). Er staat ook veel blauwe zegge, die dit type grasland zijn naam zou hebben gegeven.
Een tweede type verarmd grasland, dat hier voorkomt, is Veldrusschraalland, met veldrus als dominante soort en veel biezenknoppen. In deze velden ook verspreid veel lichtgroene planten van de grote wederik.
Roel laat het verschil zien tussen biezenknoppen en pitrus, zodat ik niet alle russen over één kam scheer. Tot overmaat van ramp heeft de taaie tengere rus, die ik graag vertrap op de wandelpaden (zonder succes overigens), ook nog enkele kleinere verwanten zoals greppelrus en zomprus.
Langs de paden staan volop orchideeën, waaronder de brede wespenorchis (nog niet in bloei). Overheersend zijn de vertegenwoordigers van het geslacht handekenskruid, waaronder rietorchis, gevlekte rietorchis, gevlekte orchis en brede orchis. Het onderscheid is niet altijd even gemakkelijk, want bastaardisering treedt frequent op.
Andere leuke planten, die je niet zo vaak tegenkomt, zijn adderwortel, egelboterbloem, wateraardbei, veelkleurig vergeet-mij-nietje, grote waterweegbree, veldlathyrus en kleine egelskop. Kleine egelskop heeft zittende vrouwelijke bloemhoofdjes, terwijl ze bij grote egelskop gesteeld zijn. Ook hier komt de bosbies voor, een echte plant van kwelwater. Evenals waterviolier trouwens. Moerasspirea staat bijna in bloei, maar die is algemeen ook buiten dit gebied.
We zien weinig bijzondere vogels, maar Roel onderscheidt probleemloos zwartkop en fitis op basis van een klein verschil in zang. Tijdens onze lunch op de Voijerbank brengt een jonge spreeuw ons in verwarring door onbestemde geluiden te maken. In een dooie boom vermoedt Roel een sperwer, nee een boomvalk, uiteindelijk slechts een houtduif. De boomleeuwerik bij een waterplas blijkt op basis van mijn foto een boompieper te zijn.
In het bosgedeelte zijn eiken aan het afsterven door de verhoogde waterstand. Her en der lopen kleine paadjes de struiken in, naar een sluisje in de sloot of naar een groepje planten. Roel noemt het ‘poeppaadjes’ en raadt me aan goed uit mijn doppen te kijken. Langs zo’n paadje staat groot nagelkruid in bloei, een invasieve exoot die zich enorm aan het verspreiden is.
Een grote harige rups kruipt over het wandelpad. De identificatieapp lijkt volledig de kluts kwijt met het antwoord ‘rietvink’. De rietvink is echter geen vogel, maar een vrij algemene vlinder. En deze harige kanjer is dus de rups.
Een vogelaar is op zoek naar de krekelzanger, die hier waargenomen zou zijn (en dat is wel een vogel en geen krekel!). Hij vloekt op zijn eigen soortgenoten, die paadjes door de unieke vegetatie maken en zeldzame plantjes vertrappen op jacht naar dat ene vogeltje.
Het schijnt trouwens weer een goed jaar voor de eikenprocessierups te worden. En de dennenprocessierups is in ons land aangetroffen, en die is nog erger!
De Leigraaf is een beek die vanaf het dorp Breedeweg door en langs De Bruuk loopt. Tijdens eerdergenoemde wandeling (zie W317: ‘Grafwegen’) volgde ik de Leigraaf buiten De Bruuk tot aan de Duitse grens. Staatsbosbeheer probeert steeds meer landbouwgronden om De Bruuk heen op te kopen om de unieke kern veilig te stellen. Ik sprak toen van een maanlandschap langs de Leigraaf, omdat de voedselrijke bovenlaag van enkele opgekochte landbouwgronden was afgegraven.
Inmiddels verschijnen in dit ‘maanlandschap’ geleidelijk de eerste pioniers. We nemen een kijkje: moerasdroogbloem, moeraskers, herderstasje, schijfkamille en gewone zandraket.
We duiken dan weer de bosrand van De Bruuk in. Het allergene gras kropaar is zeer talrijk langs de paden. De bloeiwijze lijkt een beetje op die van rietgras, en de stengeldelen van rietgras weer op de stengel van riet. Maar rietgras heeft op de overgang van bladschede en bladschijf een tongetje, terwijl bij riet die overgang is gemarkeerd door een groot aantal haren. Bovendien is het blad van riet goed te herkennen aan de duivelsbeet, net alsof iemand – het mag de duivel zijn – halverwege de bladschijf zijn tanden in het blad heeft gezet. Het is maar dat je het weet!
Vlakbij elkaar groeien en bloeien in het bos de zwarte bes en de rode bes (aalbes). De zwarte bes heeft gele klieren op de onderkant van het blad, die bij wrijven de karakteristieke cassisgeur verspreiden.
Achter de Zwambank groeit en bloeit klimopwaterranonkel op de vochtige bodem, maar mijn camera (of de cameraman) is verzadigd en komt niet verder dan een wazige foto.
Tot slot besluiten we nog even naar de afgedekte voormalige vuilstort Dukenburg (1962–1987) te lopen, die vlak langs het natuurgebied ligt, met ernaast ook nog de Groesbeekse Waterzuivering. Het bewijs dat vroeger een niet te ontginnen gebied als waardeloos werd beschouwd, ideaal voor vuilstort en rioolwater. We beklimmen de kolossale heuvel, maar hoge bomen belemmeren het uitzicht.
Op de doorgaande weg waarschuwt een klein verkeersbordje voor een ‘overstekende poes’. We zien een zwarte roodstaart op een hek bij een manege. Terug bij de auto vertoont een boomleeuwerik zijn kunsten. Terwijl de veldleeuwerik zingend omhoog klimt vóór hij zich als een baksteen laat vallen, klimt de boomleeuwerik eerst omhoog om zich vervolgens al vrolijk zingend te parachuteren.
Op de terugweg naar huis wil Roel me de grote bremraap laten zien. Hij kent een kleine vindplaats, pal achter Station Molenhoek. Ik ben bekend met de klimopbremraap en de walstrobremraap, en deze namen geven duidelijk aan waar deze bremrapen op parasiteren. Maar waarop parasiteert de grote bremraap? Op brem natuurlijk! Tussen een groot aantal bremstruiken staan enkele mooie exemplaren van deze parasiet in bloei.
Gepost: 22 Juni 2025
Struinen in De Bruuk (7 km)